Het Haags Adoptieverdag

Wie het debat over interlandelijke adoptie volgt, hoort voortdurend één verdrag terugkomen: het Haags Adoptieverdrag. Voorstanders én critici van adoptie verwijzen ernaar. Maar wat staat er eigenlijk in?

In dit artikel leggen we uit waarom het verdrag bestaat, welke principes centraal staan en hoe België en Vlaanderen het toepassen. Zo kan je zelf beter inschatten wat er bedoeld wordt wanneer het verdrag in de media of in het parlement ter sprake komt.

Wat is het Haags Adoptieverdrag?

De volledige naam luidt: Verdrag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie. Het kwam tot stand binnen de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht (HCCH), als antwoord op een periode waarin interlandelijke adoptie sterk groeide en er te weinig internationale afspraken bestonden om kinderen te beschermen tegen misbruik, kinderhandel en ondoorzichtige praktijken. Op het moment van schrijven zijn 107 landen partij bij het verdrag.

Welke principes staan centraal?

• Het belang van het kind eerst. Interlandelijke adoptie mag alleen plaatsvinden als ze het hoogste belang van het kind dient en zijn grondrechten eerbiedigt (artikel 1).

• Subsidiariteit. Eerst moet worden onderzocht of een kind in het eigen gezin of het eigen land terechtkan. Pas als de autoriteiten van het herkomstland vaststellen dat daar geen passende oplossing bestaat, kan interlandelijke adoptie worden overwogen (preambule en artikel 4).

• Verbod op winstbejag. Niemand mag ongerechtvaardigd financieel voordeel halen uit een adoptie (artikelen 8 en 32).

• Centrale autoriteiten. Elk verdragsland moet een centrale autoriteit aanduiden die toeziet op de procedures en de samenwerking tussen landen (artikel 6 en volgende).

• Automatische erkenning. Een adoptie die volgens het verdrag tot stand kwam, wordt van rechtswege erkend in alle verdragslanden (artikelen 23 en 24).

De HCCH publiceerde daarnaast praktijkgidsen ("Guides to Good Practice") over de uitvoering van het verdrag en over de erkenning van en het toezicht op adoptiediensten.

Hoe past België dit toe?

België ondertekende het verdrag op 27 januari 1999 en ratificeerde het op 26 mei 2005; het trad voor ons land in werking op 1 september 2005, samen met de federale adoptiewet van 24 april 2003. Die wet past de waarborgen van het verdrag toe op álle interlandelijke adopties, dus ook op adopties uit landen die het verdrag niet ondertekenden.

België telt vier centrale autoriteiten: een federale (bij de FOD Justitie, onder meer bevoegd voor de erkenning van buitenlandse adopties) en één per gemeenschap. Voor Vlaanderen is dat het Vlaams Centrum voor Adoptie (VCA), verankerd in het decreet interlandelijke adoptie van 20 januari 2012 en ondergebracht bij het agentschap Opgroeien. Het VCA onderzoekt en keurt onder meer de buitenlandse adoptiekanalen goed en houdt toezicht op de matchingsvoorstellen.

Wat betekent dit in het huidige debat?

Het verdrag verplicht landen niet om interlandelijke adoptie te organiseren: elk land beslist zelf of en hoe het adopties toelaat. Wel legt het strikte voorwaarden op als er geadopteerd wordt. In het debat over de Vlaamse uitfasering verwijzen verschillende partijen dan ook naar hetzelfde verdrag: sommigen benadrukken de subsidiariteit en de risico's op misbruik, anderen wijzen erop dat het verdrag interlandelijke adoptie erkent als mogelijkheid voor kinderen voor wie in eigen land geen geschikt gezin wordt gevonden.

Kader — Waar wij voor pleiten

Home Across Borders vraagt geen versoepeling van dit kader. Integendeel: ons pleidooi vertrekt van de volledige en onverkorte toepassing van het Haags Adoptieverdrag, met strenge screening, goedgekeurde kanalen en toezicht door het VCA. Lees meer op de pagina Onze visie.

Vorige
Vorige

De denkfouten achter het stopzetten van interlandelijke adoptie